I can feel it in my bones

December 4th, 2015.
Published in Metropolis M # 5.

Een open deur: we hebben een complexe relatie tot de dood. Het is het zekere eindpunt van elk leven en toch willen we er liever niet te veel aan denken. Nieuwsberichten bevatten een bijna eindeloze stroom aan doodsbeelden, maar toch maakt dat de dood niet bevattelijker. We worden constant gewezen op de maakbaarheid van ons lichaam en onze eigen verantwoordelijkheid het fit en gezond te houden, weg van die verduvelde dood.

Die complexe relatie tot de dood vindt ook zijn weg naar de hedendaagse kunst in de vorm van talloze skeletten, mummies, doden en half-doden. Deze figuren verblijven in een grijs gebied tussen aarde en hiernamaals alsof de kunstenaars de dood nog niet echt durven aan te pakken, maar wel via een soort net nog levende doodsbeelden van mensen over dat heikele onderwerp willen spreken.

Anders dan de dansende skeletten uit vroege animatiefilms, die als enige attractie een eenvoudige horlepiep dansten, staan de hedendaagse half-doden volop in het leven. Zo dragen de skeletten van Aleksandra Domanović in Museum Boijmans Van Beuningen, geïnspireerd op de danse macabre in een houtsnede van Hans Holbein de Jonge, hippe kleding en zijn ze druk in de weer met scanners en 3D-printers. In Lucie Stahls tentoonstelling Bithumen (Neue Alte Brücke, Frankfurt) staat een mummie in de vorm van een Oscarbeeldje naast een zwanger exemplaar in de rij bij de toiletten, alsof ze zo op elk feestje te vinden zijn. Het zelfportret van Andra Ursuta, als vacuüm getrokken mummie die onder het sperma zit, is helemaal naakt op een paar Converse-schoenen na. Dit staat ver af van hoe skeletten in bijvoorbeeld De triomf van de dood, het schilderij van Pieter Bruegel de Oude uit 1562, mensen met bijlen en zeisen uit het leven kwamen slaan. Die skeletten drijven de spot met de domme of naïeve mens die het zicht op het wachtende einde kwijt is en daarom met harde hand gecorrigeerd dient te worden. Nee, dan de hedendaagse skeletten en mummies van Domanović, Stahl en Ursuta, die gaan gewoon door met werken en feesten, ook al zijn ze meer dood dan levend. Work hard. Play hard.

Ook de skeletachtige figuren van Renaud Jerez zijn tegelijk ten dode opgeschreven en ultramodern. Met zwarte, ronde brilletjes betreden ze het bionische domein van de cyborgs en zijn soms letterlijk met de bureaustoelen vergroeid. We sterven zoals we leven: zittend, werkend, de sportschoenen nog aan. Jerez neemt in zijn beelden en video’s de talloze industrieën en producten onder de loep die erop gericht zijn ons lichaam te onderhouden, beter te maken, weg te houden van de dood. Maar bij zijn figuren ontbreekt soms een hoofd, ze hebben geamputeerde ledematen of dragen windsels. De levendigheid en gezondheid die sport en slimme voeding beloven hebben de aftakeling niet kunnen afwenden. Goji, açaí en chia ten spijt; ondanks de totale lichamelijke maakbaarheid die we nu kennen wordt ook dit bionische maaksel gewoon oud en gaat het uiteindelijk dood. De moderne vanitas verschilt in die zin niet eens zo wezenlijk van de oude.

Opposities

Dat er een complex grijs gebied is tussen leven en dood, kunnen we beschrijven met behulp van het semiotisch vierkant van de Litouws-Franse taalkundige en semioticus Algirdas Julien Greimas (Sémantique structurale, 1966). Om structuren van verhalen te analyseren ontwikkelde Greimas een vierkant waarop posities en relaties tussen die posities worden uitgetekend. Tijdens een verhaal kan een karakter van positie binnen het vierkant veranderen. Een eenvoudige boerenzoon (onderdanig) kan zich ontpoppen tot leider van een volk (machthebber). Voor onze analyse zetten we op de vier punten van het semiotisch vierkant levend (A), dood (B), niet-dood (-B) en niet-levend (-A). Levend en dood zijn elkaars tegengestelden, net als niet-dood en niet-levend. De contradictie, de grotere broer van de tegenstelling, vinden we op de diagonale assen tussen levend en niet-levend, dood en niet-dood. Men kan nu eenmaal niet tegelijkertijd levend en niet-levend zijn. Vervolgens zijn er de relaties die worden geïmpliceerd; levend impliceert niet-dood en dood impliceert niet-levend. Dit vierkant stelt ons in staat om bepaalde nuances te verwoorden. De mummie van Ursata bijvoorbeeld is eerder niet-dood (-B): ze ligt al neer, is helemaal leeggelopen, of na een bizar en wild feest neergezegen. Het is de vraag of ze ooit weer zal herstellen. De mummies van Stahl zijn dan weer niet-levend (-A): ze staan rechtop, eentje is er zelfs in verwachting, ze moeten nodig plassen. Allemaal tekenen van leven, ondanks het feit dat ze gebalsemd zijn voor het eeuwige hiernamaals.

De figuren uit het werk Die Schmutzigen Puppen von Pommern van Jos De Gruyter en Harald Thys zijn ook karakters die tussen dood en leven zweven, ergens op die onderste as van Greimas’ vierkant, tussen -A en -B in, twee polen die elkaar eigenlijk uitsluiten. Deze poppen van stro en jute hangen in gehavende kleren aan de muur. Volgens de overlevering zijn het de nazaten van familiebeulen uit Greifswald, in de historische Duitse provincie Pommeren. In de twaalfde-eeuw hadden ze het monopolie op het uitvoeren van doodstraffen. Toen hun rijk uiteen viel raakten ze op drift en nu, honderden jaren later, dolen ze nog steeds. Deze poppen zijn zeker geen cyborgs zoals in het werk van Jerez maar ze zijn ook niet volstrekt niet-modern als je bedenkt dat ze een skipak, leren korset of Red Bull-T-shirt dragen.

Dat laveren tussen zijn en niet-zijn, met alle connotaties die ze over de kwaliteit van ons hedendaags bestaan oproepen, zie je ook terug in de animatronic heads van Nathaniel Mellors. Zonder lichaam, soms zelfs met enkel nog een half gesmolten kop, ratelen en spuien ze door. Deels dood (B), deels nog springlevend (A). Wat volgens Greimas’ vierkant en logica onmogelijk is – het verenigen van de twee uitersten van een spectrum – wordt door al deze kunstenaars toch moeiteloos gedaan. Dat maakt de werken zo beklemmend.

Dit verenigen van twee tegenpolen is in extremis aan de hand bij het werk Female Figure (2014) van Jordan Wolfson: een animatronische robot die voor een grote spiegel danst, haar lichaam via een paal door de buik bevestigd aan die spiegel. Haar gezicht is half verstopt achter een commedia dell’arte-masker en ze danst wulps, uitdagend terwijl ze via de spiegel oogcontact maakt met de kijkers. Het is een griezelig, hypnotiserend werk waarbij je niet kunt geloven dat de figuur een robot is, zelfs al zie je de scharnieren, de plekken waar door schuring het plastic wat is weggebrand. Ze is niet echt, ze is duidelijk niet-levend. Maar dood is ze ook niet. Kijkend naar de robot van Wolfson verspringt je waarneming als een dolle over het semiotisch vierkant. De werken van Domanović en Stahl nemen in vergelijking hiermee een meer rustige positie in op het semiotisch vierkant en je weet dat ze niet leven maar ook niet echt dood zijn, overduidelijke representaties als ze zijn. Vrij comfortabel verblijven ze op de positie niet-levend (-A).

Primitieve tijden herleven

De vraag is wat er achter deze interesse in levende doden, of halfdode levenden, hun tragische teloorgang of mysterieuze wedergeboorte zit. Mogelijk is het een reactie op wat Norbert Elias in The Loneliness of the Dying (1985) beschrijft: ons enorme ongemak met dood, ouderdom, sterven, ziekte maakt dat de dood in onze huidige samenleving en cultuur wordt weggestopt. Enerzijds is dat onvermijdelijk, je kunt niet altijd in het volle besef van de eindigheid van het leven verblijven. Anderzijds hunkeren we ook naar een soort catharsis van datgene wat we verdringen. Vandaar trends als dark tourism waarbij massaal plekken van dood en verderf bezocht worden en die als het ware een geregulariseerde en geneutraliseerde confrontatie met de dood bieden. Behalve deze catharsis kunnen we in de huidige interesse in de dood vanuit de kunst ook een kritiek lezen op een gecomputeriseerde wereld waarin lichamelijkheid en spiritualiteit ondergeschikt zijn geraakt.

Mark Leckey stelt in een interview met Lauren Cornell voor Mousse Magazine dat hoe meer onze omgeving gecomputeriseerd raakt, hoe verder we terug de primitieve tijd in worden gekatapulteerd, een tijd waarin een animistisch wereldbeeld heerste en alles een ziel had: stenen, leeuwen en mensen. Al het levenloze heeft de potentie (weer) tot leven te komen. Dat is een enorm geruststellende gedachte voor een geseculariseerde samenleving die worstelt hoe zich tot de dood te verhouden. Het technoanimisme biedt een soort ontsnapping. Het is een ventiel om de druk er even af te laten. Ja, alles gaat dood en de aarde is een puinhoop. Maar misschien heeft dit alles wel een ziel en leeft het dus ergens voort. Idealiter zelfs op Facebook waar het geliket kan worden.

Je kunt de interesse in primitief animisme, het voodoo-achtige spel met de dood, de suggestieve uitdaging ervan in een kokette dans met de eeuwigheid, ook verbinden aan een breder oplevend hedendaags primitivisme, waaronder bijvoorbeeld Atelier van Lieshout zich steeds nadrukkelijker schaart. In collectief verband werkt AVL aan een nieuw maatschappelijk model, gebaseerd op ‘tribale verhoudingen’, waarin geen enkel taboe ongemoeid wordt gelaten. In het werk van AVL zitten we in grote schedels, eten we verwerkte mensen en is het lichaam eigenlijk het meubelstuk en werkmateriaal bij uitstek.

Taboe voorbij?

De fascinatie voor de dood als antwoord op een ontzield bestaan brengt een nieuwe kijk op het primitivisme met zich mee. Deze opleving gaat voorbij aan de oude koloniale tegenstellingen die het debat rondom toonaangevende tentoonstellingen zoals Primitivism in 20th Century Art: Affinity of the Tribal and the Modern (MoMA, 1984-85) en Magiciens de la Terre (Centre Pompidou, 1989) kleurden. Er wordt verlangd naar een bestaansvorm of tijd die een minder nadrukkelijk technologische civilisatiegraad kent, waar die zich ook bevinden, in heden of verleden.

Het hedendaags primitivisme gaat daarmee eigenlijk om het zoeken naar en ontdekken van de aculturele zelf, de pre-technologische ik die kennelijk niet meer zo gemakkelijk te vinden is in het vlees, zelfs niet in de botten. We zijn namelijk bijna wereldwijd overgecultiveerde mensen geworden, en dat is niet per se positief. Als later, heel veel later, onze lichamen worden opgegraven, dan vertellen onze botten niet langer het verhaal van de mensen die we waren. We zijn als mens cleaner geworden. Geen bijlen in hoofden meer, geen speren in rompen. Maar dat cleane is bedrieglijk. Onder die gewassen en goed gevoede lijven zit stress, druk, kanker, toxisch materiaal, zorgen. Maar probeer dat maar eens af te lezen aan de beenderen, dat deel van de mens dat het langst blijft bestaan, het meest elementaire deel dat overblijft nadat al het andere is opgegaan in de omgeving. We voelen het leven niet meer in onze botten, en dat is precies het probleem.