Gesprek met Camiel van Winkel

October 14th, 2012 – , , , .
Published in De Witte Raaf.

Maaike Lauwaert: Wat is jouw kijk op de academisering van het kunstonderwijs, met het doctoraat in de kunsten als het epitoom daarvan?

Camiel van Winkel: Het kunstonderwijs zit al een tijd in een veranderingsproces, zeker in Nederland. Er wordt in het kader van de gewenste professionalisering gewerkt met competentielijsten en vaste beoordelingsprotocollen. Docenten worden geacht in grote mate inwisselbaar te zijn, wat ten koste gaat van de persoonlijke relatie tussen docent en student. De nadruk op onderzoek is slechts een van de aspecten van deze professionalisering. Het doctoraat in de kunsten is dus een klein symptoom van een veel grotere verandering. Het is eigenlijk ook een marginaal verschijnsel: ik geloof dat er op dit moment in het programma van PhDarts in Den Haag zo’n 10 kunstenaars zitten. Ik vind het doctoraat in de kunsten dus op zichzelf een vrij onschuldig fenomeen.

M.L.: Hoe zou je die grotere verandering omschrijven, waar het doctoraat in de kunsten onderdeel van is?

C.v.W.: Het gaat om de introductie van onderzoek in het hele onderwijsgebouw. Dat betreft nadrukkelijk niet alleen de toplaag – het doctoraat – maar begint al onderaan, bij de propedeuse. Er wordt vanuit de HBO-raad in Nederland aangestuurd op de implementatie van onderzoek op alle niveaus van het kunstonderwijs.

M.L.: Wat vind jij van die focus op onderzoek? 

C.v.W.: Het is een dwaalspoor. Reflectie op het kunstenaarschap is voor mij de kern van het kunstenaarschap: een reflectie op de attitude die je als kunstenaar wilt ontwikkelen en je verhouding tot het discours van de kunst. Dat zou dus ook de kern van de opleiding moeten zijn. Onderzoek is echter iets wezenlijk anders dan reflectie. Bij onderzoek zoek je naar een thematiek die jou als kunstenaar aanspreekt, en daar ga je je in verdiepen. Zo werkt dat in de praktijk tenminste vaak. Het is een verlegging van de concentratie naar buiten toe. Een aantal jaar geleden dacht ik nog dat het verschijnsel van artistic researcheen parallel circuit zou gaan vormen. Mijn kritiek was toen dat je in het onderwijs een aparte hiërarchie en waardetoekenning dreigde te krijgen – een wereld van diploma’s die losstaat van de hiërarchie en waardetoekenning in de kunstwereld. Maar nu zie je eigenlijk dat die dingen elkaar steeds meer gaan infecteren en besmetten, en dat dat alle kanten opgaat.

M.L.: Wat is de reden dat er zoveel belang wordt gehecht aan onderzoek?

C.v.W.: Onderzoek wordt in het beleid vaak gekoppeld aan innovatie. De retoriek van innovatie stelt kunst voor als een laboratorium, een soort R&D-afdeling van de maatschappij. Dat is de vlag die er op wordt gezet en waarmee kunst wordt verantwoord. Typerend voor het Nederlandse onderwijsbestel is de kloof tussen het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten. Die kloof is in Nederland veel groter dan in andere landen. Het introduceren van onderzoek in het HBO was bedoeld om dat te corrigeren.

M.L.: Hoe zie je die focus op onderzoek terug in de kunstwereld van nu?

C.v.W.: Wat me opvalt bij de grote internationale tentoonstellingen, zoals Documenta en Manifesta, is dat daar ook een zekere academisering aan de gang is. Het discours is academisch, de begeleidende teksten, de bijschriften bij de werken, maar ook de manier waarop de tentoonstellingen geconcipieerd en de kunstenaars geselecteerd zijn. Men kiest een benadering die sterk aanleunt bij het academische model van de cultural studies. Het artefact als drager van betekenis is een uitgangspunt binnen de cultural studies, dat je nu ook terugziet in de kunst- en tentoonstellingspraktijk. Wanneer je het kunstwerk kunt analyseren als drager van betekenis, kun je het vervolgens ook gaan produceren als drager van betekenis. Dat leidt vaak tot een middelmatige en tamelijk academische output, met een opeenstapeling van verwijzingen die blijkbaar voor zichzelf moeten spreken. Ik vind dat een slechte ontwikkeling.

M.L.: Leidt de focus op onderzoek ook tot een homogenisering van de kunstwereld?

C.v.W.: Het is wel zo dat er voor tentoonstellingen zoals Documenta en Manifesta vooral kunstenaars worden uitgezocht die werken volgens het referentiële, onderzoeksgebaseerde model. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat het enige of het belangrijkste is wat er nu gebeurt. De tentoonstellingen kunnen een vertekend beeld geven.

M.L.: Kunnen bijvoorbeeld kunstinstellingen of curatoren tegenwicht bieden aan de academisering?

C.v.W.: Ik heb er al eerder voor gepleit om de autonomie van de kunst weer centraal te stellen. Ook al is dat een problematisch begrip, het is toch de laatste vijftien jaar ten onrechte taboe verklaard. De kunstwereld zelf heeft de autonomie van de kunst niet willen verdedigen, omdat men het associeerde met een achterhaald modernistisch begrippenkader; dat is een grote fout geweest. Autonomie wordt vaak gezien als het tegendeel van maatschappelijk engagement. Dat zijn echter twee verschillende en onvergelijkbare grootheden. Ook de keuze om je te engageren als kunstenaar, om de straat op te gaan, zou een autonome keuze moeten zijn. Die twee sluiten elkaar dus niet uit. We moeten autonomie opnieuw bekijken. Dat kan op allerlei manieren en op verschillende niveaus. Instellingen kunnen daarbij zeker een rol spelen; curatoren zouden de autonomie weer een plek kunnen geven in de tentoonstellingspraktijk. In het onderwijs komt het idee van autonomie echter in de verdrukking door de focus op onderzoek.