Kunst in opdracht 2006 – 2013. Boekbespreking

December 4th, 2015 – , .
Published in De Witte Raaf.

Er bestaat wel eens het idee dat België of Vlaanderen (nog) geen solide beleid kent op het gebied van kunst in de openbare ruimte. Er zou een wildwestsituatie heersen van vage aanbestedingen met schouderophalende rotondekunst tot gevolg; slechts hier en daar zouden er experimenten worden opgezet om tot volwaardige, hoogwaardige beeldende kunst in de openbare ruimte te komen, maar een overzicht van het hele aanbod zou slechts een zeer eclectische en heterogene groep werken opleveren, met uitschieters naar beide kanten van het spectrum. Toch werkt de Kunstcel Vlaamse Bouwmeester al sinds 1999 aan een coherent opdrachtenbeleid op dit gebied. Een eerste serie werken die hieruit voortkwam, werd gebundeld in een overzichtsboek dat de periode 1999 tot 2005 besloeg. Nu is er een tweede naslagwerk gepubliceerd, dat een overzicht geeft van de 144 kunstwerken in de openbare ruimte waarvoor tussen 2006 en 2013 een opdracht werd gegeven door de Vlaamse Bouwmeester en zijn team.

Een overzichtsboek is bijna altijd primair beschrijvend. Foto’s kunnen dat beschrijvende karakter ondersteunen en de lezer helpen zich een voorstelling te maken van de kunstwerken. Overmijdelijk vormt ook het beschouwende essay een vast onderdeel van zo’n overzicht. De ontwerper van het boek, Filiep Tacq, heeft deze standaardingrediënten op een ingetogen, elegante en tegelijk verrassende wijze vormgegeven. Voor- en achteraan het boek heeft Tacq paginavullende, groen-zwarte foto’s geplaatst, en het tekstuele deel bevindt zich daartussen, wordt er als het ware door omarmd. Katrien Laenen, een van de samenstellers van het boek, bezorgt een inleidend essay over de maatschappelijke opdracht van kunst in de openbare ruimte. Het wordt gevolgd door een complete inventaris van de werken die in Vlaanderen gerealiseerd werden tussen 2006 en 2013 – of geconcipieerd in die periode en nog te realiseren in de komende jaren – uitgevoerd op dunner, gebroken wit papier met donkergroene rand, en begeleid door twee landkaarten waarop alle werken terug te vinden zijn. De korte tekstjes zijn helder en precies, een kleine kleurenfoto en de feitelijke informatie maken de inventaris compleet en tonen de reikwijdte van de projecten: van een clownsneus op een rotonde door Patrick Van Caeckenbergh, een glazen paviljoen van Els Vanden Meersch, een ‘spie-fontein’ van Gert Verhoeven tot een led-tekstwerk van Ana Torfs, een absurdistisch schilderij van Jan Van Imschoot en de abstracte werken van Ann Veronica Janssens. Het spectrum is erg breed, van deels functioneel, toegepast, sociaal-artistiek werk – zoals het project The Kitchen – The Terrace van Frank Bragigand – tot een verwarrend en conceptueel spel met ‘autonome’ kunst – de beschilderde bronssculpturen Fine Boisterous somethings 1-8 van Valérie Mannaerts.

Uit deze inventaris is vervolgens een bloemlezing van zestien werken geselecteerd. Die worden uitgelicht in langere teksten of interviews met meerdere grote foto’s. Tot slot bevat het boek ook twee bijlagen die ons weer met de voeten op de grond zetten: de wet die dicteert dat een bepaald percentage van openbare aanbestedingen aan kunst in de openbare ruimte moet worden besteed en een stappenplan van een aanbesteding (voorbereiding, selectie, realisatie en tot slot beheer en behoud). Deze laatste bijlage maakt van de publicatie haast een handboek. Andere steden, commissies, kunstenaars kunnen hun voordeel doen met de heldere beschrijving van de manier waarop opdrachten tot stand komen. Daarnaast is het ook een manier om verantwoording af te leggen: zo is het Team Vlaams Bouwmeester te werk gegaan, zo is deze groep werken tot stand gekomen.

Wat telkens weer opvalt wanneer men naar goede, geslaagde projecten in de openbare ruimte kijkt, is de precisie, het sérieux en de toewijding waarmee de kunstenaars zich de gegeven context hebben eigen gemaakt. En dat zijn complexe contexten: psychiatrie, verloren pleintjes, nieuwe aanbouwsels, wooncomplexen, kerken, scholen, politieke gebouwen. Zijn er nog beroepen waar zo serieus wordt ingegaan op lokale wensen, contexten, geschiedenissen, beperkingen? Misschien is dit wel een van de kenmerken van geslaagde kunst in de openbare ruimte: een volledige overgave aan het lokale zonder erin te verdwijnen of op te gaan. In Wild Park. Het onverwachte als opdracht omschreef Jeroen Boomgaard goede kunstwerken in de openbare ruimte al eens als stoorzenders van de macht, zonder dat het evenwel, en dat is cruciaal, zogenaamde ‘meteoorkunst’ wordt die als een UFO op een locatie neerstrijkt (Amsterdam, Fonds BKVB, 2011, p. 32).

De openbare ruimte is een complexe context en het is niet makkelijk voor beeldende kunst om er te overleven. Wie in het hybride veld van kunst in de openbare ruimte werkt, weet dat het welslagen van een project van een complex krachtenspel afhangt. Vaak neemt zo’n proces ook kluchtige vormen aan waar men, werd men niet zo overstelpt door de vergunningsproblematieken, bewonersprotesten en tegenvallende offertes, enorm om zou kunnen lachen. Maar het lachen vergaat de kunstenaar, de opdrachtgever en andere betrokkenen meestal tijdens het slopende proces om een werk in de openbare ruimte te realiseren. De complexiteit van zo’n dossier mondt meermaals uit in compromiskunst, maar gelukkig zijn er ook voorbeelden te over (dit boek bewijst het) van geslaagde, conceptueel gelaagde, complexe en ondoorgrondelijke kunst.

De kwaliteit van kunst in de openbare ruimte zegt volgens Boomgaard iets over de gezondheid van onze democratie: een ‘slecht functionerende democratie brengt bloedeloze beelden voort’ terwijl sterke beelden ‘een overheid [tonen] die bereid is ruimte te bieden aan afwijking en experiment, en die precies die ruimte beschouwt als representatie van haar aanwezigheid’ (ibid., p. 90). Maar kunst in de openbare ruimte heeft nog een heel andere, minstens zo belangrijke functie: niet alleen die spiegel van onze democratie, maar ook een unieke context voor kunst, kunstenaar en publiek. Jan Verwoert beschreef het in Ode to the Chicken Man Gong (opgenomen in Tell Me What You Want, What You Really, Really Want, red. Vanessa Ohlraun, Berlin, Sternberg Press, 2010, p. 120 e.v.) als de kracht die kunst in de openbare ruimte heeft om ons aan te spreken, op te roepen, ons het gevoel te geven ergens bij te horen, zonder dat we een ideologie worden opgelegd of aan een macht onderworpen worden.

Kunst in opdracht 2006 – 2013 werd in 2015 uitgegeven door de Kunstcel Vlaams Bouwmeester, Grasmarkt 61, 1000 Brussel (02/553.29.63; vlaamsbouwmeester.be).