Mels van Zutphen – Man in Gold

February 1st, 2011 – , .
Published in Mister Motley.

Aanvankelijk had hij getwijfeld of hij wel mee zou doen aan dit project. Dat kan hij zich nu nog amper voorstellen. Het moment waarop hij wist dat hij een film wilde – moest! – maken, was toen hij in het Surinaamse oerwoud een omgevallen boom zag liggen. De boom was onderweg een boot te worden, de stam al deels uitgehold. Om naar het geïsoleerde Marron dorp Pikinslee te komen had de groep ook per korjaal over het water gereisd. De boten zijn onmisbaar, de enige manier om bepaalde plekken te bereiken.

De poster van de tentoonstelling had ze al ergens zien hangen. Daarop staat een man afgebeeld in een gouden pak op een brommer in de jungle. Het is een vreemd beeld, vindt ze. De man die zo alleen en uit context zit te blinken in dat woeste woud.

Maanden na zijn eerste reis is hij terug in Pikinslee. De ideeën voor de film zijn in Nederland verder uitgewerkt maar hij weet dat dit deels tevergeefs is. Er gebeuren namelijk altijd onverwachte dingen en de omstandigheden zijn onvoorspelbaar. Soms heeft hij het gevoel dat hij net zo hard achter z’n eigen film aanloopt als dat hij regisseert. Observeren, regisseren, documenteren en ensceneren lopen vaak in elkaar over als hij aan het werken is. Dat maakt het spannend maar ook ontzettend intens.

Als ze de video-installatie voor het eerst ziet zoekt ze onbewust naar de gouden man en een verklaring voor zijn schitterende aanwezigheid in de jungle. Ze zit op een bankje voor de drie projecties, net in het midden, om het geluid goed te horen en alles te kunnen zien. Halverwege de film begrijpt ze ineens met een soort schok dat de boom die met zo’n gewelddadige kracht naar de aarde is gezegen, een boot gaat worden.

Hij heeft het warm, heet. Het lijkt soms wel alsof het nooit stil is in het oerwoud. Je hoort altijd wel motoren reutelen en ronken als een soundtrack bij dit leven. De bootbouwers beginnen met het uitzoeken van de juiste boom. De mannen vergaderen, slaan met een stok tegen de bast van verschillende bomen, delibereren. Dan wordt met een bijl de eerste inkeping gemaakt in de machtige stam. Met hulp van een kettingzaag wordt de kap breder en dieper. Er is een moment waarop het lijkt alsof de boom nooit gaat vallen. En wanneer het dan toch gebeurt is er het gekraak, het geraas en een straffe windstoot.

En daar is hij dan eindelijk: haar man in gold. Het onophoudelijke lawaai van kettingzagen en motoren verstilt voor hem. Het beeld vertraagt zelfs iets om hem er door te laten. Hij rijdt door de jungle als een onwaarschijnlijke koning die zijn gouden kroon heeft laten omsmelten tot stof voor dit zwierige pak. Hij rijdt van haar weg met zijn rug naar haar toe. Zijn gezicht heeft ze nog niet gezien.

De mensen beginnen aan zijn aanwezigheid, zijn witheid en camera te wennen. Soms is het ongemakkelijk, op de manier waarop postkoloniale relaties altijd ongemakkelijk zijn. Het is elke keer weer absurd voor hem dat er Nederlands wordt gesproken in een oerwoud, bij tropische hitte.

Al snel blijkt de man in goud niet het enige bevreemdende element van de video te zijn. Gigantische cilindrische vormen in goud verpakt glijden op twee dunne aan elkaar gemaakte bootjes over het water. Voorop staat een man met een schuine doek om het lijf gebonden en een gouden vlag hoog in de lucht. Hij kijkt haar dreigend aan. Of verbeeldt ze zich dat?

De mannen praten in het Saramaccaans terwijl ze de bast schoonmaken, de boom op de goede kant rollen, er in extreme en ijzingwekkende concentratie een lange plak van afzagen. Die platgemaakte kant wordt uitgehold, met bijlen, kapmessen en die ene brute kettingzaag. Het gaat snel, de bootvorm is al zichtbaar. De halve boot wordt aan lianen het bos uitgesleept tot aan een bereidbaar pad waar een tractor wacht om de harthouten kolos naar Pikinslee te torsen. Hij kan zich amper voorstellen hoe die tractor hier terecht is gekomen. Hij is ook over het water vervoerd, dat is namelijk de enige manier. Dit indrukwekkende beeld van zoiets gigantisch op die fijne, lange bootjes blijft hem achtervolgen.

Ze is zich bewust van hoe haar lichaam reageert op de beelden: kippenvel als de boom valt, ingehouden adem als de boom een boot blijkt te worden, opgeslorpte fascinatie om te proberen te begrijpen wat ze ziet. Wat is toch dat goud? Soms speelt dezelfde scene zich af op de drie beelden tegelijk, maar altijd is dat net niet simultaan. Alsof de tijd in de war is. Op andere momenten weet ze niet waar eerst te kijken omdat elk deel van de drieluik een ander deel van het verhaal verteld: de tocht van de gouden figuur door de jungle, de geconcentreerde bootbouwers en de stroomopwaarts glijdende gouden cilinders.

In het dorp wordt de boot gedroogd, gerookt, de kieren met pek dichtgesmeerd. Wat best al een bootachtige vorm had wordt langzaam maar zeker een trotse korjaal: met een voor- en achtersteven dat een beetje naar boven krult, met planken die de zijkanten van de boot hoger maken en kleine bankjes. De korjalen worden beschilderd, krijgen een naam en soms een datum op hun zijflank. Het klimaat is zo heftig dat de boten, ondanks de zorg en precisie waarmee ze zijn gemaakt, maar een jaar of drie meegaan. Het doet hem pijn te bedenken dat zijn boot ook zo’n kort leven is beschoren.

Ze ziet dat er “Zwolle” staat op een van de stukken karton die de bootbouwers gebruiken om kieren tussen de planken van de boot te dichten. Dit toeval maakt in zijn ontspannenheid de sporen van het Nederlandse koloniale verleden des te pijnlijker.

Hij wilde geen politiek werk maken, ook geen antropologisch. Hij wilde zijn fascinatie voor de bootbouwers delen. Maar het goud, je ontkomt er niet aan. Er zit zoveel goud in de bodem van Suriname dat je er altijd mee geconfronteerd wordt. Niet dat de mensen zelf veel goud dragen. Buitenlandse bedrijven en illegale delvers halen het goud al jaren uit de grond en sluizen het gelijk het land uit, de bevolking houdt er amper iets aan over. Goud is hier aanwezig als metafoor, als idee, als verlangen.

Wanneer ze de tentoonstellingsruimte verlaat zit haar hoofd vol met beelden van de film: de bootbouwer met zaagsel op zijn gezicht dat hij er niet af kan vegen omdat hij heel geconcentreerd een plak van de boom aan het zagen is, de zwarte stroperige pek die in gaten wordt gegoten, de vallende boom, de gouden korjaal die aan het einde van de film te water wordt gelaten, de man in goud die haar in het laatste shot eindelijk aankijkt via het achteruitkijkspiegeltje op zijn brommer.

Terug thuis kan hij het oerwoud niet vergeten. De hitte is deel van hem geworden. Wat was die uitspraak ook weer? Je kan de man uit het dorp halen maar het dorp niet uit de man? Zo was het met hem ook. En met haar eigenlijk ook wel een beetje.