Om de rook

November 20th, 2012 – , .
Published in Fan, Bat Editions.

Er zijn weinig dingen zo bevredigend als iets dat goed past, dat perfect past. Gekleurde vierkante blokken die door een perfect vierkant gat passen in kinderspeelgoed. Twee lichamen die samen passen, die elkaar passen. Een hemd dat je gegoten zit. Identieke objecten die je in elkaar kunt schuiven om ze te stapelen of op te ruimen. Als ze goed passen een plezier. De ene emmer in de andere. Een kleiner leeg blik in een groter leeg blik. Hup, weg. Niet alleen bevredigend maar soms ook troostend. Het ene rust in het andere. Het ene wordt gedragen, gesteund door het andere. Je bent moe, misschien zelfs uitgeput en je hangt tegen datgene wat je past en voelt je omsloten, gekend.

“No two things can be the same” heeft in zich de bevrediging van het perfect passende en de troost van het vermoeide object dat gedragen en ondersteund wordt. Een prullenbak die in een andere, identieke prullenbak staat (rust) verheft de eerste tot de sokkel, de drager en de tweede tot kunstobject, de gedragene. Samen gepresenteerd heeft het iets onlogisch. Je moet even opnieuw kijken. Wat betekent het als de ontvanger van het weggegooide zelf wordt weggegooid? Ontdaan van de ontdoener. Er gebeurt zoiets als een hersemantisering, een graduele betekenisverschuiving. Dit is niet de plotse betekenisverandering van de stok die in de white cube kunst wordt (de ready made). Hier is iets complexer aan de hand.

Semantiseren, een begrip uit de taalkunde, wordt gebruikt om een fase aan te duiden in hoe we een taal leren. Via het semantiseren leert iemand de betekenis van een woord, via de tegenstelling, de metafoor of omschrijving. Rood is geen groen, vuur is rood, rood wordt oranje als het met geel wordt gemengd. Bij hersemantisering wordt de betekenis subtiel verschoven, betwijfeld, losgewrikt. Ineens is die prullenbak niet meer de lelijke, enkel op functionaliteit ontworpen ontvanger van ons afval, maar ook een welkome, misschien zelfs lieve omarming. Ontroering in twee prullenbakken. Dit is typerend voor het werk van gerlach en koop. Door minimale, subtiele en secure ingrepen weten zij het levensloze, het onopgemerkte, het lelijke te antropomorfiseren, tot leven te wekken.

Maar laten we wel wezen, het heeft ook iets lomps om gewoon twee gestandaardiseerde prullenbakken te gebruiken en het vraagt een zeker lef daar de piëta connotatie aan te geven van drager en gedragene. Van het perfecte passen naar een ruis tussen wat we zien en wat we zien. Het gaat niet om het herkennen, om met de Russische formalist Viktor Sjklovski te spreken, want gewone objecten die we dagelijks zien, zien we niet meer, maar om het waarnemen – lang en bewerkelijk waarnemen. Kunst doet dat bij uitstek schrijft hij, via de ostranenie of vreemdmaking, het woord dat Sjklovski hiervoor muntte.

Terug naar de hersemantisering. In de semiotiek wordt een onderscheid gemaakt tussen de contenu – de inhoud, het gedragene (bijvoorbeeld de melk) – en de contenant – de drager, de omvatter (bijvoorbeeld het glas). (Dit onderscheid kent analogieën met het meer bekende semiotische onderscheid tussen betekenisdrager – het woord “appel” bijvoorbeeld – en betekenis – “fruit”, “New York”, “computermerk”). Container en contained zou je in het Engels zeggen. Inhoud en recipiënt in het Nederlands. De begrippen worden gebruikt om stadia van kinderspel en kind ontwikkeling te duiden (de vierkante blokken die door het vierkante gat worden geduwd) maar ook om het over het denken te hebben: wat je denkt en de vorm die deze gedachte aanneemt. In “No two things can be the same” wordt de contenant (drager) tot contenu (gedragene) en dit zorgt niet alleen voor verwarring, voor begripsvertraging maar ook voor een verschuiving van onze perceptie van de voorwerpen. Ze zijn vreemdgemaakt.

En dan is er nog het element van de herhaling, dubbeling, doublure. Over de angst voor herhaling, zei Saâdane Afif in een interview: “Op een bepaald moment constateerde ik een zekere zwakheid, een soort vermoeidheid om voor elke expositie iets “nieuws” te maken, en de simpele herhaling om de herhaling, zonder verdere context, maakte me bang.”1. Die angst voelen gerlach en koop ook en net als Afif proberen ze die angst te gebruiken. Het werk bestaat uit een herhaling maar wordt zelf ook herhaald, is uitgevoerd in een kantoorversie en een industriële versie in de white cube, een openbare ruimteversie, een poster en een gepubliceerde versie. Het uitgeputte wat spreekt uit het werk herhaalt zich op het niveau van het werk zelf: het idee wordt uitgeput. Bewust. De vuilnisemmer is moe. Het werk is moe.

En dat is precies wat gerlach en koop nastreven. Want uitputting heeft een keerzijde. Jan Verwoert schrijft er over: “Totale uitputting is een toestand die we zowel vrezen als nastreven. Creatieve mensen zijn voor niets zo bang dan dat hun ideeënstroom op een dag zal opdrogen en ze niets meer te zeggen hebben. Toch is de sterkste motivatie voor werken in de creatieve sector nog steeds het verlangen om een idee tot het einde toe uit te werken en pas op te houden als alle mogelijkheden uitgeput zijn. Je kijkt naar het resultaat van je inspanningen met een aangename ontsteltenis: dit is het, zo moet het zijn. (…) Maar op dezelfde manier als lichamen de mogelijkheden van de uitputting kunnen tonen, kunnen voorwerpen, tekens en beelden dat. Het moderne leven produceert allerlei soorten afval, het put lichamen uit, stapelt rommel op en zuigt de betekenis uit culturele tekens door overmatig gebruik.”2 Clichés zijn afgedragen woorden.

Een vraag die kunst achtervolgt, zeker niet-figuratieve kunst, is die van het waarom. Waarom twee prullenbakken in elkaar plaatsen? Waarom ook nog die herhaling herhalen? In welke bocht we ons ook willen wringen, Sjklovski beantwoordde het in De Paardensprong (1917) eigenlijk onovertroffen: “De automatisering slokt de dingen op, je kleren, je meubels, je vrouw, en je angst voor oorlog. Als dat hele ingewikkelde leven van velen zich onbewust afspeelt, dan is het alsof dit leven er nooit geweest is. En juist om het gevoel van leven weer terug te geven, dingen te voelen, om steen tot steen te maken, bestaat er iets dat kunst wordt genoemd.”3 Daarom dus. Om te zien, om niet alleen te herkennen maar ook waar te nemen, om onze betekenisstructuren los te wrikken en ons te ergeren, om de dingen, onze vrouwen, onze angsten te bevrijden en terug te veroveren op de slijtage van alledag. Om de ruis. Om het troosten en het bevredigen. Om de rook om je hoofd.

  1. MetropolisM, nr 3, 2008 en http://metropolism.com/magazine/2008-no3/baby-one-more-time/english 
  2. MetropolisM, nr 1, 2007 en http://metropolism.com/magazine/2007-no1/use-me-up/english 
  3. Viktor Sjklovsky, Art as Technique, 1917