Postacademische instellingen in ombouw

Voor een buitenstaander lijken de drie postacademische instellingen op elkaar, maar als je je erin verdiept, dan zijn de verschillen groot. Zo begon de Jan van Eyck Academie als gewone kunstacademie, werd de Rijksakademie in 1870 opgericht door Koning Willem III en werd De Ateliers in 1963 in het leven geroepen door kunstenaars die ontevreden waren met de bestaande mogelijkheden in het kunstonderwijs. In de loop der jaren hebben de opleidingen een eigen positie verworven binnen de Nederlandse en internationale kunst. Ze gelden ieder op een eigen manier als de grote motor van de talentontwikkeling in dit land, waarbij de Jan van Eyck Academie de naam heeft vooral geschikt te zijn voor maatschappijbevlogen theoretici, De Ateliers de ideale begeleiding biedt aan jonge, autonoom opererende kunstenaars, en de Rijksakademie er is voor de iets oudere, ambitieuze carrièremaker die toegang wil krijgen tot de internationale netwerken.

De werkelijkheid ligt uiteraard genuanceerder. Om een beter beeld te krijgen van deze instituten in een onzekere tijd, wordt er in dit artikel niet gekeken naar de beeldvorming die erover bestaat, maar naar de deelnemende kunstenaars. Wie kiest voor welke opleiding en waarom?

Thomas Raat  ̶  Rijksakademie

Bij de Rijksakademie spreek ik met Thomas Raat (1979), die aan zijn tweede en laatste jaar bezig is. Tegen zowat alle muren van de studio leunen grote, helbeschilderde panelen waarvan de vormen je bekend voorkomen zonder dat je ze echt kunt plaatsen. Raat vertelt dat hij vanuit de schilderkunst vertrekt, maar steeds zoekt naar manieren om niet te schilderen. Als het klassieke schilderen gaat over intuïtie, handschrift, gesture, dan plaatst Raat hier MDF-panelen tegenover, een gestandaardiseerd en geformaliseerd proces waarbij hij alles wat met creatie en willekeur te maken heeft schuwt. De MDF-panelen zijn beschilderd met wat er overblijft van de covers van naoorlogse boeken als je ze van hun praktische informatie ontdoet. Enkel het ontwerp blijft over, dat volgens Raat aantoont hoe de modernistische beeldtaal in de periode 1945 tot 1970 zijn weg vond naar het huislijke, het gewone, het alledaagse. Het gaat Raat om wat hij ‘het beeldend rendement van het modernisme’ noemt, het keerpunt waarop de abstracte en modernistische beeldtaal gangbaar werd. Esthetische keuzes bij het selecteren van de covers heeft Raat niet gemaakt. Hij koos voor goedkope pockets, die de gewone man na de oorlog inzicht moesten geven in bijvoorbeeld psychologie, bedrijfskunde, politiek, wiskunde of sociologie. Denk aan titels als An Inquiry into Meaning and Truth, The Presentation of Self in Everyday Life of Uses and Abuses of Psychology. Ontdaan van hun informatie heeft hij die ontwerpen in de panelen gekrast en vervolgens de vlakken ingeschilderd. Geen creatie, maar fabricatie. De context is belangrijker dan de individuele maker en zijn authentieke producten. Het is kunst als middel, niet als doel. Raat noemt zijn werkwijze eerder journalistiek dan scheppend, hij voert gecontroleerde experimenten uit. Maar wetenschappelijk is het zeker niet, benadrukt Raat. ‘Het mooie van kunst is nu net dat het niet altijd hoeft te kloppen, niet consequent hoeft te zijn,’ zegt hij. In de kunst kan je stelling nemen zonder dat die gestaafd of meetbaar hoeft te zijn. ‘Misschien is het zinloos,’ zegt hij, ‘maar de vrijheid die je als kunstenaar kunt nemen is uitzonderlijk. Dat is de ongrijpbare macht van het kunstenaarschap.’

Raat voelde zich meteen op zijn plek op de Rijksakademie, waar hij, al wat langer geleden afgestudeerd en meer ervaren, speciaal voor koos. Het is een snelkookpan, waarbij alles er op ingericht is om veel en hard te kunnen werken. Het eerste jaar was een soort incubatieperiode, waarin hij nog zocht naar manieren om met die fascinatie voor de voortzetting van het modernisme om te gaan. De technische faciliteiten en ondersteuning van de Rijksakademie waren daarbij onmisbaar. Het tweede jaar is de inhoudelijke input belangrijker, het gebruik van bibliotheek en de collectie, en werkt hij naar een conclusie toe.

Eric Sidner – De Ateliers

Een paar dagen later spreek ik Eric Sidner (1985) op De Ateliers. Sidner koos bewust voor deze instelling vanwege de besloten sfeer, het niet heel uitgesproken sociale karakter van de instelling. Hij wilde geen verplichtingen en een tijdje verlost zijn van de druk om te socializen. Het eerste jaar stond voor hem in het teken van het afronden van eerdere werken en lopende projecten. Zonder druk om ‘affe’ werken te produceren, kon hij experimenteren en nieuwe wegen inslaan met zijn werk. Een periode aan De Ateliers geeft ruimte om fouten te maken, te falen, en op je stappen terug te keren.

Het werk in zijn atelier geeft blijk van een diversiteit aan materialen en denkrichtingen. Er hangen bijvoorbeeld twee gigantische, opengeknipte en van hun mouwen ontdane T-shirts in stroken aan de muur, waar een zonnebril de hals van naar beneden trekt. Ook is er een bij de buik opengeknipt T-shirt, dat met een soort vet aan een papier lijkt te kleven: een grijze tekening met in het wit een mannenonderhemd en omgeven door een vetcirkel. Een green screen setting voor het maken van video’s. Sidner vertelt dat de T-shirts en ‘vetwerken’ voortvloeien uit projecten waar hij al langer mee bezig is. Het vet (vaseline, vertelt hij) gebruikt Sidner om verschillende lagen in het werk samen te voegen en toch zichtbaar te houden (de vaseline maakt de lagen doorzichtig). De video’s zijn een nieuwe en meer recente ontwikkeling, net als een kleine, glazen globe die op de tafel staat en een serie geairbrushte ‘schilderijen’ die nu in Californië te zien zijn bij de galerie Altman Siegel. Sidner is gefascineerd door onderwerpen die sterk van tevoren bepaald en niet neutraal zijn. Hij speelt met de corporate identity, de passieve agressiviteit, de poses en politiek van deze onderwerpen. Ook de methodes waar hij nu mee experimenteert, glasblazen en airbrushen, vindt hij om die reden fascinerend. Ze hebben een uitgesproken doel en hun potentieel is schijnbaar al helemaal uitgeput. Airbrushen, vaak gebruikt om ‘cosmetische’ veranderingen aan te brengen in bestaande beelden, is door Sidner toegepast op een serie werken die is gebaseerd op de beelden uit een specifieke nichecultuur, waarbij tekeningen op vrouwengezichten (clownscirkel rond de mond, rondje op de neus, schoppen onder de ogen) worden gecombineerd met tekst. Hij zoekt de spanning op tussen deze inner circle-beelden en productiemiddelen die wijder verspreid zijn, maar toch onlosmakelijk verbonden zijn aan die nichecultuur.

Esmé Valk – Jan van Eyck Academie

Een week later spreek ik Esmé Valk (1977) op de Jan van Eyck Academie. Ze is een van de, zonder oneerbiedig te willen klinken, ‘tussenresidenten’, die, geselecteerd onder het voorzitterschap van Lex ter Braak, de voorgaande directeur Koen Brams niet meer hebben meegemaakt maar wel nog onder de door hem uitgezette koers werken. Ze is voor de periode van één jaar aangenomen, omdat men eenvoudigweg niet wist of de academie zou blijven bestaan. Ze vindt haar jaar op de Jan van Eyck, dat er voor twee derde opzit, dan ook niet echt representatief voor het oude instituut. Valk zit op de afdeling fine arts. Haar atelier is een hoekkamer, die rustig en weloverwogen ingericht is. Er hangt gekleurd textiel aan de muur, een aantal oude beelden zijn op A4-formaat geprint, er staat een maquette.

Valk koos voor de Jan van Eyck, omdat de ‘residenten’ hier mede het programma bepalen (je kan bijvoorbeeld iemand voordragen voor een atelierbezoek of lezing). Er is geen vaststaand curriculum, dat bepaal je zelf. Valk meldde zich aan met een project rond manieren van ensceneren die deels open zijn en waarbij bijvoorbeeld de rollen die men aanneemt kunnen verschuiven. Denk aan barokke festiviteiten zoals een dertig dagen durend verjaardagsfeest voor een prins, met eetschouwspelen en spektakels, waarbij deelnemers en toeschouwers van rol wisselen. Ook The Importance of the Composed Domain, een in opdracht van het Cobra Museum geproduceerd werk, gaat over enscenering. Het vertrekt vanuit de fascinerende en verwarrende foto’s van Eugène Brands, die bizarre maskers draagt in een sterk contrasterende huiselijke omgeving. In een zaalvullende installatie combineert Valk erfgoedobjecten met nieuw werk en speelt met zichtlijnen en kijkervaringen. Ze maakte ook een begeleidende publicatie in de nieuwe drukwerkplaats van de Jan van Eyck, voor haar van cruciaal belang om het abstracte karakter van het werk open te breken en ook het onderzoek te delen met het publiek. Boeken lezen en onderzoek doen is voor misschien wel iedereen op de fine arts afdeling, zegt Valk, van groot belang voor hun praktijk. Het is een belangrijke bron van werk maken. Lezen is als het ware een parallelle stroom.

Wat gaat er veranderen in 2013?

De Ateliers en de Rijksakademie worden door de landelijke politiek gedwongen samen te gaan werken. 2013 geldt daarbij als een tussenjaar, waarin die samenwerking gestalte moeten krijgen. Net als de Jan van Eyck Academie leveren ze al meer dan de helft van hun budget in, en de totale capaciteit wordt teruggebracht van 75 naar 60 plaatsen. De voorwaarden die de Raad voor Cultuur stelt aan De Ateliers en de Rijksakademie zijn stevig: de instellingen moeten zich tot één organisatie hebben gevormd in 2013, moeten zich op één locatie huisvesten en moeten klaar zijn voor de periode na 2016, wanneer de overheid stopt met het ondersteunen van postacademische instellingen. De Ateliers en de Rijksakademie stellen daar voorwaarden tegenover, namelijk dat een politieke oplossing wordt gevonden voor de hoge huisvestingslasten en personeelslasten van de Rijksakademie (een gevolg van de voormalige status als rijksinstituut), dat het ministerie van OCW en het Mondriaan Fonds bijdragen aan de financiering van de nieuwe organisatie en dat de voorgenomen stopzetting van subsidiëring na 2016 wordt heroverwogen.

Beide instellingen staan aan het begin van een samenwerkingstraject waarvan de uitkomst nog ongewis zijn, zegt Dominic van den Boogerd, directeur van De Ateliers. De wil om samen te werken is er, maar ook de behoefte om wat eigen is aan de instellingen te behouden. Rijksakademie-directeur Els van Odijk voegt hieraan toe dat met behoud van elkaars proven practices de samenwerking heel interessant kan zijn. De Jan van Eyck Academie gaat het komende jaar het nieuwe beleid in de praktijk brengen en daarbij zijn minstens nog net zoveel open einden en vragen, productieve twijfels en ruimte voor experiment. Sinds het aantreden van Lex ter Braak in 2011 gaan ook de drie afdelingen van de Jan van Eyck – vormgeving, beeldende kunst en theorie – in elkaar op. De werkplaatsen zijn vernieuwd en sommige heropend, omdat ze een basisvoorziening zijn van een postacademie, vindt Ter Braak. De nieuwe directeur wil dat de deelnemers niet alleen solitair aan een project werken, maar zich ook willen inzetten voor iets of iemand anders, met of zonder anderen.

Recent maakte het Mondriaan Fonds bekend, conform de wens van de overheid, dat er vanaf 2013 beurzen beschikbaar zijn voor een totaalbedrag van 2,5 miljoen euro, waarmee getalenteerde kunstenaars ‘diensten op het gebied van praktijkverdieping’ kunnen ‘inkopen’. Hiermee wil de politiek talentontwikkeling stimuleren via de kunstenaars en niet via de instellingen. Om er voor te zorgen dat een deel van dit geld bij de ernstig gekorte postacademische instellingen terecht komt (en de kunstenaars met zo’n beurs niet allemaal in het buitenland praktijkverdieping inkopen), wordt de komende twee jaar een aantal beurzen per instelling gegarandeerd.