Veranderende kunstpraktijken

April 6th, 2011 – .
Published in BAM.

Daar staat hij dan, de kunstenaar. Alleen in zijn atelier, voor een ezel, penseel in de aanslag. Soms is er een model aanwezig, of een slapende hond. Het licht is goddelijk, de stilte en concentratie voelbaar. Daar gebeurt het, in dat atelier, in die rust en eenzaamheid worden meesterwerken geconcipieerd. We kennen allemaal dit klassieke en geromantiseerde beeld van de kunstenaar. Het is vereeuwigd in schilderijen zoals Kunstenaar in zijn studio (1629) van Rembrandt van Rijn of De kunstenaar in zijn studio (1664) van Johannes Vermeer. Daartegenover staat het hedendaagse beeld van de kunstenaar. Net zo goed een constructie, vaak ook niet wars van romantisering. Bij de update is de ezel vervangen door een laptop, zit de kunstenaar (nu kan het ook een vrouw zijn!) aan een grote tafel met boeken en papieren. Geen model meer, soms wel een assistent, studiogenoot of een slapende kat. Was de romantiek van het eerste beeld de goddelijke stilte waarin het genie volop ruimte had, in het tweede beeld staat de onafhankelijke flexwerker centraal die, laptop onder de arm, overal en altijd kan werken.

Er zijn weinig beroepen waarover zoveel misverstanden bestaan als dat van de kunstenaar. Kunstenaars worden benijd omdat ze “gewoon doen waar ze zin in hebben” of beschimpt omdat ze “geen werk hebben”. Er zijn ook weinig beroepen waarbij het beeld van buitenaf vaak zo haaks staat op de ervaring van kunstenaars zelf. Worden ze als pretjakkers gezien door buitenstaanders, of als mensen die van hun hobby hun werk hebben gemaakt (helaas nog steeds een veelgehoord vooroordeel), van binnenuit overheerst vaak vermoeidheid, altijd aan het werk, nooit genoeg geld. Dit misverstand hangt deels samen met het feit dat werken synoniem is geworden voor een diensverband, een contract waarbij een vooraf vastgesteld aantal werkuren verzilverd wordt in een afgesproken maandelijkse overschrijving. Kunstenaars werken, hebben werk maar worden daar in de regel niet of onder voor betaald (cijfers van het NICC uit 2008 tonen aan dat slechts 15% van de Vlaamse kunstenaars kan leven van het kunstenaarschap). Kunstenaars werken niet in dienstverband, worden niet aangenomen, krijgen geen tijdelijke contracten en kunnen daarom dus ook niet in wettelijke zin werkloos zijn. Hoe knullig het oude beeld van de geniale kunstenaar in het atelier ook mag aandoen, veel mensen zien dat nog steeds als de essentie van de ware kunstenaarspraktijk. Dit vergroot de verwarring en de misverstanden alleen maar. Want zijn de studioloze kunstenaars van onze digitale tijd dan geen kunstenaars? Moet er met tastbaar materiaal (verf, klei, marmer, …) gewerkt worden om als  kunstenaar serieus genomen te worden?

Beide stereotype beelden van de kunstenaar, laten we ze schertsend even de ezelkunstenaar en laptopkunstenaar noemen, zijn uiteraard ficties in die zin dat ze gerepresenteerde archetypes of karikaturen zijn. Zowel toen als nu waren er eindeloos veel variaties op de kunstpraktijk aanwezig. Toch helpt het ze op te voeren, als mentale steuntjes voor het in kaart brengen van veranderende kunstpraktijken. Dat in kaart brengen zal gebeuren aan de hand van kernaspecten van de kunstenaarspraktijk en met behulp van een aantal recente publicaties over dit onderwerp. De kernaspecten worden behandeld als een ajuin die niet gepeld maar herpeld wordt. Dat wil zeggen, we beginnen dicht bij de kunstenaar zelf met de plek waar gewerkt wordt, dan het materiaal waarmee gewerkt wordt en tenslotte de organisatievorm waarin dat gebeurt. Hier doorheen lopen ook aspecten van onze huidige economie, markt en de (internationale) context waarin kunstenaars werken.

Plaats

We begonnen niet voor niets met de kunstenaar in de studio. De studio als werkruimte is beladen, het is dood verklaard, weer herrezen en vaak onderwerp van discussie. Er zijn kunstenaars die niet zonder studio kunnen werken, er zijn er weer anderen die het als een keurslijf ervaren. Een van de meest geciteerde teksten over de studio is die van Daniel Buren: The Function of the Studio. Hij begint zijn tekst met een opsomming van de drie belangrijkste functies van de studio:

What is the function of the studio?
1. It is the place where the work originates.
2. It is generally a private place, an ivory tower perhaps.
3. It is a stationary place where portable objects are produced.
(Daniel Buren, 1971, p. 51).

Er is veel veranderd sinds die tijd, door het werk van Buren en tijdgenoten. De studio heeft die centrale plaats in het kunstenaarschap ten dele moeten afstaan, vaak is de studio geen privéruimte maar een gedeelde ruimte en nog vaker is die ruimte mobiel en draagbaar. Buren zelf wantrouwde de studio omdat het tezelfdertijd idealiserend én verstenend werkte (p. 55). In het recent verschenen The Fall of the Studio (2009) schrijven de samenstellers van het boek, Wouter Davidts en Kim Paice, ‘dat de studio een paar tragische klappen te verduren heeft gekregen en het een doelwit werd van harde kritiek omdat het een artistieke praktijk, materiële productie en creatieve identiteit representeerde die de kunstenaars wilden overstijgen of vermijden, omdat het een romantische dwangbuis was’ (p. 2). Buren stond mee aan het begin van de zogenaamde post-studio periode waarbij kunstenaars de studio verlieten en werk maakten dat niet in de studio ontstond maar op locatie, in galerie, museum of buitenwereld. Het lichaam kon daarbij als ‘studio’ fungeren of de werkplek werd letterlijk meegenomen.

Het afstand nemen van de studio en de praktijken die daarmee samenhingen betekende, in één adem, dat wat men als traditionele studiokunst beschouwde – schilderen en beeldhouwen – werd afgezworen (de hieruit volgende post-materiaal conditie zal hierna, bij de tweede schil van de ajuin, worden opgepakt). Maar het betekende ook dat het hele idee van een kunstwerk, als werk, als een fysiek object gemaakt met de juiste combinatie van kunde en talent, op losse schroeven kwam te staan. Want hoe werk je als je niet in je studio aan het schilderen, boetseren, beeldhouwen bent? Wat bepaalt dat werk en hoe ziet dat er uit? Een van de grote misverstanden van het hedendaagse kunstenaarschap, geënt op dat romantische ideaal waar we mee begonnen, heeft te maken met een fysieke plek van arbeid en fysiek materiaal waarmee gearbeid wordt. Merel Van Tilburg schrijft in haar artikel De doorstart van het atelier dat ‘indien het productieproces dat met een kunstwerk gepaard gaat zich laat spiegelen aan contemporaine arbeidsomstandigheden, dan lijkt het voor de hand te liggen de veranderingen in het kunstbegrip te toetsen aan het model van immateriële arbeid, eerder dan aan een verouderd begrip van industriële arbeid’ (2010, p. 21). Dat de hedendaagse kunstenaarspraktijk zich laat spiegelen aan post-industriële of Post-Fordistische arbeidscondities, is ook door Pascal Gielen en Paul De Bruyne overtuigend betoogd (hierover later meer).

Hedendaagse studiopraktijken

De 21e -eeuwse studio is vaak nomadisch, tijdelijk, gedeeld en kan net zozeer virtueel (in de zin van digitaal) als fysiek zijn. De mogelijkheid om mobiel te werken en via internet in contact te staan met collega’s, musea en galeries heeft de kunstenaarspraktijk sterk beïnvloed. Voor veel kunstenaars is hun computer of laptop de studio ruimte geworden. Ze werken thuis aan de eettafel of in een kantoorachtige setting die met anderen wordt gedeeld. Fysieke verbondenheid met één plek van productie is er vaak niet meer. Dit idee van de flexwerker wordt wel eens geromantiseerd als de ultieme bevrijding. Nu kunnen we de hele dag latte’s drinken bij onze favoriete koffieketen en doorwerken via laptop en wifi. Maar de keerzijde daarvan is dat je nooit niet aan het werk bent. Er kan altijd beroep op je worden gedaan, de druk om snel te antwoorden op e-mails is bijzonder groot (het argument dat je in je studio aan het werk bent telt niet meer, elke studio heeft toch internet? Hoe kan je nu niet online zijn?) en je computer-als-studio is zo weer opengedaan of aangezet.

Tijdelijke residenties en de vele post-graduate en master opleidingen hebben eveneens de aard en mogelijkheden van de productie van werk veranderd. De kunstenaar als moderne nomade die van internationale residentie naar biënnale hopt heeft geen tijd en ruimte om spullen te verzamelen, om een gestationeerde studiopraktijk uit te bouwen of grote fysieke werken te maken (want waar moeten ze na die residentie naartoe?). Bovendien wordt er vaak verwacht dat er met de lokale context wordt gewerkt wanneer men een residentie doet, of die context is zo opdringerig dat je er niet onderuit komt je er toe te verhouden als kunstenaar. Een effect van residenties en hogere opleidingen is daarmee de focus op onderzoek, theorievorming, verdieping van de eigen praktijk én sociaal- en politiek geëngageerd werk. Net als veel andere landen heeft Vlaanderen contracten met een aantal internationale residentieplekken zoals ISCP (New York), Künstlerhaus Bethaniën (Berlijn), Rijksakademie (Amsterdam), Jan Van Eyck Academie (Maastricht) en Platform Garanti (Istanbul)1.

De kritiek op de studio als keurslijf van praktijken, idealen, ideeën en materialen uit vorige eeuwen, leidde tot een breuk in de klassieke of traditionele studiopraktijk en opende de weg voor andere manieren van werk maken en voor andere definities van wat een werk is. Daarmee werd echter minder radicaal afstand genomen van de studio dan men op het eerste gezicht zou denken. Als mentale werkruimte bleef de studio wel degelijk bestaan. Davidts en Paice schrijven dat de ‘studio, tot de dag van vandaag, blijft opstaan als een fabuleus, veelkoppig monster dat elke aanval overleeft’ (p. 19). Ook Van Tilburg stelt dat ‘het atelier, begrepen als de plek waar kunst wordt gemaakt, inmiddels een pluriforme doorstart heeft gemaakt’ (p. 21). Er wordt zelfs gesproken van een terugkeer naar de studio. De huidige heropleving of herwaardering van de persoonlijke studio als fysieke en standvastige privéruimte moet begrepen worden in de context van een tijdsgewricht dat gedomineerd wordt door globalisering, hypermobiliteit en informatieoverdaad.

Materiaal

Er is al een aantal keren naar verwezen: de veranderende relatie tot de studio had effecten voor materiaalgebruik (en de diversiteit daarvan) en daarmee ook voor het idee van de kunstenaar als iemand met een duidelijke set van skills gerelateerd aan die materialen. Met de opkomst van conceptuele kunst in de jaren ‘60 werd het concept, het idee van een kunstwerk geprivilegieerd boven het medium. Marcel Broodthaers werkte bijvoorbeeld met de meest uiteenlopende materialen, plaatste het idee boven de materiële uitvoering en maakte vaak gebruik van voorwerpen uit het dagelijkse leven, zoals de bekende mosselpan. Jan Verwoert legt in Why Are Conceptual Artists Painting Again? (2005) haarfijn uit wat de gevolgen zijn van deze post-materiaal conditie. Anders dan bij medium-immanent werk, waarbij het medium het vertrek- en eindpunt is, zijn bij conceptuele kunst zoals van Broodthaers media onderling vervangbaar (p. 3). Het gaat immers niet om dat soort marmer of die soort verf. Het gaat om een idee en of daar nu die of die mosselpan voor wordt ingezet is bijkomstig.

Een van de gevolgen van de post-materiaal conditie is wat Rosalind Krauss ‘de-skilling’ noemt. Kunstenaars hebben geen specifieke, met materiaalkennis samenhangende vaardigheden meer nodig om kunstenaar te worden, ze zijn generalisten geworden in een postdisciplinaire tijd (uiteraard hebben ze wel een heleboel andere en niet minder complexe vaardigheden nodig). Camiel van Winkel en Pascal Gielen schrijven in hun onderzoeksvoorstel over de hybride kunstenaar dat ‘hedendaagse kunst generiek is. Het wordt niet bepaald noch gedefinieerd door het gebruik van specifieke media, materialen of technieken. Vanaf de jaren ’60 zijn kunstenaars niet primair schilder of beeldhouwer maar visuele kunstenaars’ (ongepubliceerd onderzoeksvoorstel). De dooddoener “dit kan mijn neefje ook” komt uit dit verlies van het traditionele vakmanschap voort. Dit credo is om meerdere redenen tenenkrommend maar stuit misschien wel vooral tegen de borst omdat het teruggrijpt op een reactionair idee van de kunstenaar die gewoon goed moet zijn in één metier en verder niet te veel moet experimenteren.

In deze post-materiaal tijd kan in principe alles een kunstwerk zijn, een mosselpan of urinoir, een stok of schaal appelen, als het maar door een kunstenaar als zodanig wordt gepresenteerd. Moeilijke dingen – brons gieten, hout frezen, marmer bewerken – besteden we net zo makkelijk uit. Natuurlijk zijn er wel nog spelregels, de kunstwereld (critici, curatoren, galeriehouders, museumdirecteuren, andere kunstenaars) moeten de kunstenaar en het werk accepteren. De waarden en kwaliteiten die aan kunst worden toegekend worden bepaald in de dialoog die plaatsvindt in de kunstwereld. Die regels zijn minder doorgrondbaar dan heel goed kunnen schilderen of beeldhouwen. En natuurlijk is er sprake van een bepaalde set aan skills die kunstenaars moeten beheersen. Steeds vaker horen daar ook management-achtige vaardigheden bij die kunstenaars in staat stellen hun complexe professionele levens te regelen (over de kunstenaar als manager later meer).

Van Winkel en Gielen schrijven dat de post-materiaal en post-studio conditie grote vrijheden met zich meebrengt (‘wat het materiaal is, aan welke condities het werk moet voldoen en hoe het publiek zich ertoe moet verhouden, kunnen bij elk werk opnieuw voorgesteld worden’) maar dat de keerzijde daarvan is dat kunst, omdat het alles kan zijn en traditioneel vakmanschap grotendeels verloren is gegaan, moeilijker herkenbaar is. Dit brengt met zich mee dat kunstenaars zich constant moeten verantwoorden, hun competenties en expertise zijn namelijk niet meteen zichtbaar of aan te duiden, worden vaak niet herkend omdat ze niet beantwoorden aan het klassieke beeld van de kunstenaar. Daarmee is hedendaagse kunst door en door discursief: kunst heeft het eigen kritische discours geïnternaliseerd en moet voor elk nieuw werk telkens opnieuw de legitimering aanleveren.

Hedendaagse kunstenaarspraktijken

Het loszingen van kunstenaarspraktijken van de studio heeft niet alleen een pluriformiteit in studiopraktijken voortgebracht maar ook zeer diverse kunstenaarspraktijken. Opvallend is de toename, grofweg vanaf de jaren ’90, van projecten (al dan niet uitgevoerd door een groep), het proces als werk, onderzoek, relationeel en interdisciplinair werk. Kunstenaars zeggen steeds vaker dat ze met een project bezig zijn of dat ze iets aan het onderzoeken zijn, ze zijn aangetrokken tot methodes uit de wetenschap, tot archieven, willen kennis produceren en een project hebben. Uiteraard doet elke kunstenaar onderzoek, of het nu om een materiaalstudie in de Gamma gaat of een onderzoek naar historische archieven, maar het onderzoek als praktijk an sich is een vrij recente ontwikkeling die samenhangt met de residentiecultuur, het karakter van internationale biënnales, het verlies van aan de kunst en studio eigen vaardigheden, de constante druk om je te verantwoorden als kunstenaar en wetenschappelijke, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen die de voortdurende zoektocht van kunstenaars om zich op verschillende manieren uit te drukken in een veranderende wereld, voortstuwen.

In Turning schrijft Irit Rogoff dat noties als ‘kennisproductie, onderzoek, educatie, open-ended productie’ in elkaar lopen en samen de parameters zijn gaan vormen voor een nieuw onderdeel van de productie van kunst (2008, p. 1-2). Deze versmelting zien we heel sterk in post-materiaal kunstenaarspraktijken waarbij (semi) wetenschappelijk werk en kennisproductie centraal staan. Deze kunstenaars verrichten onderzoek, pluizen archieven uit, voeren tests uit in laboratoria, werken als antropologen of etnografen, duiken helemaal onder in een buurt, wijk of andere cultuur. Hierbij staat niet het eindproduct maar het proces centraal. Interdisciplinariteit is een gegeven voor deze kunstenaars die procesmatig en onderzoekend te werk gaan. Alle tools, middelen, kennis, bagage kan ingezet worden om een vraag te onderzoek, een probleem te tackelen of een onderwerp uit te diepen.

Mediakunstenaars, individueel of verenigd in labs zoals LAb[au], Constant, Okno, Timelab, iMAL en FoAM, hebben aan deze onderzoeksmatige en procesmatige traditie bijgedragen met een interdisciplinaire, onderzoekende praktijk van open-ended productie. Frederik de Wilde, Eric Joris, Koen Van Mechelen of Angelo Vermeulen zijn hier in Vlaanderen goede voorbeelden van. Hun praktijk is versmolten met die van wetenschappers en onderzoekers, ze werken vaak samen met labs en de uitkomsten van hun onderzoek wordt aan beide kanten van de divide (kunst/wetenschap) omarmd. Aan die verwetenschappelijking van kunstproductie is sinds kort ook een wetenschappelijke toets en titel toegevoegd: kunstenaars kunnen een PhD behalen als kunstenaar. Daarnaast zijn er meerdere Masteropleidingen voor kunstenaars en worden ook in de context van hogescholen onderzoeksprojecten opgezet.

Ook relationele kunst is bij uitstek post-materieel omdat de relaties tussen mensen en de context waarin een werk wordt getoond centraal staan. Het gaat dan om sociale processen, interactie en allerminst om materialen en fysieke eindproducten. Rirkrit Tiravanija, die bijvoorbeeld als kunstwerk voor een groep mensen kookt, is kenmerkend voor deze stroming.

Een van de eigenschappen van deze praktijken is dat ze werk voortbrengen dat moeilijk of niet verkoopbaar is. Hoe verkoop je een proces, een onderzoek of een experiment in een laboratorium? Onderzoeks- en procesgerichte kunst maakt minder kansen op de markt (op kunstbeurzen zie je bijvoorbeeld doorgaans schilderijen, tekeningen, fotografie en installaties. Videokunst, internetkunst, procesmatige kunst of onderzoek zijn in dit circuit amper vertegenwoordigd) en heeft daardoor dus meer nood aan publieke middelen zoals beurzen, residenties, onderzoeksbeurzen of mogelijkheden om een doctoraat te schrijven.

Deze veranderende kunstpraktijken stimuleren (of dwingen) ook organisaties om zich anders op te stellen en meer aandacht te hebben voor productie en proces. Het vertalen van processen naar het publiek vraagt namelijk om andere vaardigheden van zowel tentoonstellingsmakers als publiek. Zo moet er doorgaans meer aandacht worden besteed aan contextualisering omdat proces- en onderzoeksmatige werken nu eenmaal meer toelichting nodig hebben. Vaak zijn instellingen ook al langer bij het proces van het maken betrokken en zal er bij de eventuele aankoop van zo’n werk ook veel meer komen kijken. Hoe conserveer je een biomedisch experiment? Hoe toon je het opnieuw?

Tegenover deze procesmatige en onderzoeksmatige kunst staat een hernieuwde belangstelling voor materialen die historisch gezien met de studio geassocieerd werden. Een groeiende groep (jonge) kunstenaars schildert, maakt sculpturen, verkiest een abstracte eerder dan concrete beeldtaal, beweegt weg van het projectmatige en de behoefte om uit te leggen, te verklaren. Een kunstenaar als Valérie Mannaerts werkt bijvoorbeeld met hout, brons, keramiek, textiel, verf, papier-maché en de materialiteit van haar objecten, het feit dat het om objecten gaat!, is daarbij van groot belang. We zien deze beweging internationaal aan kracht winnen. In Vlaanderen is dit misschien minder zichtbaar dan in bijvoorbeeld buurland Nederland omdat de afkeur van studiopraktijken en materieel-immanent werk in de jaren ’90 in Vlaanderen niet zo groot was.

Het is dan ook niet voor niets dat Bavo in Too Active To Act (2010), een pleidooi tegen de nuttigheidsdruk op kunst, zich vooral richt op de Nederlandse kunstwereld die kunstenaars te pas en te onpas, als een soort vliegende kippen, inzet om problemen van sociale, stedelijke of overheidsorde op te lossen.  Dit nuttige is overigens een veelkoppig gegeven. Het gaat niet alleen om sociale opdrachtprojecten maar ook om kunst in de publieke ruimte, kunstenaars die gevraagd worden om een residentie te doen in bedrijven, opdrachten krijgen van allerlei bedrijven die op zoek zijn naar (creatieve) content of prestige. In Radicale autonomie (2006) voelt Jeroen Boomgaard de nuttigheidsdrang ook aan de tand en betreurt hij het verlies van de ‘noodzakelijke nutteloosheid’ van de kunst.

“De kunstenaar dient te zorgen voor de uitzondering en de verrassing, dat wat niet op het programma staat, maar hij moet daarbij wel tegemoet komen aan onze verwachtingen, rekening houden met onze wensen, meedraaien in de molen van onze vermaakseconomie, zonder dat hij zich nog mag beroepen op autonomie of eigen program. De taak van de kunstenaar is er niet lichter op geworden.” (Boomgaard, 2006, p. 3 van de online editie).

Dat laatste is zonder meer waar. De verwachtingen van kunstenaars zijn ongekend hoog. De druk tot legitimeren van de kunstenaarspraktijk komt niet alleen voort uit het deskilling van kunstenaars, hun open en generalistische praktijk, maar in toenemende mate ook uit de eis om te verantwoorden hoe overheidsgeld besteed wordt. Ook dit speelt in Nederland, waar exponentieel meer overheidsgeld bestemd wordt voor kunst en cultuur, sterker dan in België. Desalniettemin roept het NICC in het rapport 8 voorstellen voor betere werkomstandigheden en een autonome kunstenaarspraktijk (2009) op om een beleid te vormen ‘waarin de kunstenaar en zijn autonomie centraal staan en worden ondersteund’ (p. 2).

Organisatie

Hoe kunstenaars (kunnen) werken wordt mede vormgegeven en bepaald door samenleving en economie. Aan het begin werd al gerefereerd aan de Post-Fordistische conditie. Het Fordisme, vernoemd naar autofabrikant Ford, staat voor een gestandaardiseerd productiesysteem, voor standaard producten die van de lopende band rollen, voor massaproductie gefasciliteerd door gespecialiseerde machines, voor ongeschoolde maar goed betaalde arbeid en arbeiders die de eigen producten konden betalen. Het Post-Fordisme wordt gekenmerkt door een service- en kenniseconomie, door informatietechnologie, het uitbesteden van arbeid aan lage loon landen, globalisering en consumentisme. We produceren in het Westen minder producten maar meer diensten.

Beide modellen of systemen vragen andere vaardigheden van diegenen die willen “meedoen”. Het Post-Fordisme is gebaat bij adaptiviteit, flexibiliteit, sensitiviteit en communicatie. Gielen waarschuwt er voor: de vaardigheden van kunstenaars en anderen werkzaam in de creatieve sector, sluiten goed, misschien wel veel te goed, aan bij de wensen van onze Post-Fordistische tijd.

Kunstenaars moeten in toenemende mate beschikken over dé skill bij uitstek van het Post-Fordisme: management. Management van het eigen werk maar ook van de eigen praktijk. Ze moeten een complexe mix van ballen in de lucht houden: processen van werk maken, presentatie van dat werk en de omkadering ervan. Daarnaast hebben veel kunstenaars opdrachten lopen (daar wordt namelijk doorgaans wel nog geld mee verdiend), uit de publieke en private sector. Als kunstenaar heb je managementvaardigheden nodig om dit alles tot een goed einde te brengen, uit al die geldstromen ook een loon over te houden en tezelfdertijd ook nog de continuïteit van je praktijk te bewaken. Je wil namelijk niet het label van “opdrachtkunstenaar” opgeplakt krijgen, iemand die geen eigen, autonoom werk meer maakt maar alleen in opdracht nieuw werk maakt. Dan verschuif je van het autonome circuit met galeries, musea en presentatieruimtes naar het toegepaste en opdrachtcircuit. Veel kunstenaars (maar ook andere actoren uit de kunstwereld), hebben een complexe relatie tot de markt. Commercieel té succesvol zijn wordt met argusogen bekeken en betekent vast dat je als kunstenaar concessies doet. Dan ben je net als de “opdrachtkunstenaar” niet meer autonoom. Tezelfdertijd zijn veel kunstenaars in Vlaanderen afhankelijk van de markt omdat overheidsinvesteringen in de kunstsector beperkt zijn. De balans vinden tussen autonoom werk, opdrachten, markgericht denken is op z’n minst complex te noemen.

Jan Verwoert schrijft in Exhaustion and Exuberance dat we in deze Post-Fordistische tijd niet langer gewoon werken, maar performen (2008, p. 90). Die “wij” is een steeds groter wordende groep van creatieve mensen die altijd klaar moet staan om te performen, die geen nee kan zeggen en wordt geleefd door de “just-in-time” productie van het Post-Fordisme (p. 98). Altijd moe, altijd bereid meer te doen, altijd klaar om ja te zeggen. De decadente kant van de kunstsector waar Anna Tilroe zich zorgen om maakt als ze bijvoorbeeld naar de roddelkatern Scene & Herd van Artforum kijkt is zeker geen schering en inslag (2010, p. 23). De grootste groep kunstenaars in Vlaanderen leidt geen door geld en champagne omlijst leven. In de hoogste echelons, onder een aantal kunstpauzen, zal er ongetwijfeld goed geleefd worden maar de realiteit voor de grootste groep kunstenaars is keihard werken, nooit genoeg geld verdienen en een gebrek aan respect voor hun onherkende arbeid. Het collectieve werken kan een manier zijn om altijd klaar te staan, altijd “ja” te kunnen zeggen en om de uitputting te delen en te verdelen.

Hedendaagse organisatievormen

Steeds meer kunstenaars, curatoren, critici werken in een bepaalde vorm van collectiviteit, voor alle of een deel van hun activiteiten, op projectbasis, tijdelijk of structureel. Daar zijn uiteenlopende redenen, zowel praktisch als inhoudelijk, voor. Samen optrekken kan bijvoorbeeld onderhandelen met de markt (commissies, galeries, verzamelaars, musea die willen aankopen) eenvoudiger maken, kunstenaars in staat stellen mensen in te huren of bepaalde subsidies aan te vragen of als instelling projecten te ondernemen, er kan samen een ruimte of een PR medewerker gehuurd worden. Sommige kunstenaars lossen de werkdruk en het gegoochel met al die ballen op door met assistenten te werken voor zakelijk, productioneel, administratief en promotioneel werk of ze worden zelf managers van hun eenmanszaak. Deze kunstenaars slagen er in hun tijd ongelooflijk goed te verdelen over research en creatie, opdrachten aannemen en opvolgen, soms wat lesgeven, tentoonstellingen en catalogi opvolgen, boekhouding bijhouden enzovoort. Het aantrekken van middelen uit de markt of via subsidies vraagt ook weer een geheel eigen set aan vaardigheden en een grote dosis ondernemerschap. Dat is nog een rol die kunstenaars moeten zien te spelen en waar academies hen onvoldoende op voorbereiden.

Uiteraard kunnen galeries of assistenten een aantal van die taken overnemen maar dat is slechts voor een kleine groep kunstenaars een realiteit. Een aantal kunstenaars experimenteert ook wel met het onder de arm nemen van een managementbureau dat voor de kunstenaar een aantal zaken opvolgt. Nog anderen stichten samen een productiebureau op dat managementtaken op zich neemt.

Het gemeen complexe veld waarin kunstenaars anno 2011 moeten opereren heeft geleid tot hybride organisatievormen: kunstenaars die én een collectief productiebureau opstarten én met een galerie werken en voor bepaalde producties ook nog eens assistenten aantrekken. Het maakt het er niet makkelijker op. Te meer omdat je als kunstenaars niet alleen het management van al die projecten moet waarnemen maar je ook steeds moet afvragen welke opdracht of welk werk hoeveel geld opbrengt (wat blijft er over na productie, betalen van assistenten en overhead kosten?) en hoe het binnen je praktijk of oeuvre past.

Nieuwe media maken communicatie eenvoudig en goedkoop en samenwerken in tijdelijke of meer structurele samenwerkingsverbanden, ook geografisch verspreid, is hierdoor makkelijker geworden. Bovendien reizen we meer dan ooit te voren en leren mensen kennen waarmee we later soms projecten ontwikkelen of willen samenwerken. Zo zijn we tezelfdertijd gefragmenteerder dan ooit (geografisch maar ook in hoe we onze aandacht verdelen en werken) én toch ook zeer sterk vernetwerkt.

Bovendien is het collectieve werken echt een kind van de post-materiaal conditie. Bij materiaal-immanent werk zouden, puristisch gedacht, dezelfde handen het werk moeten maken. De penseelstreek van de meester is immers herkenbaar, uniek, onnavolgbaar. Van Tilburg schrijft dat ‘het ideale “atelierkunstwerk” juist het product van ongedeelde arbeid is’ (p. 21). Bij concept-gedreven werk kan het werk in principe uitgevoerd worden door iedereen, zolang het concept maar helder is omschreven kan de arbeid gedeeld worden. In do it, in 1997 uitgegeven door het collectief Independent Curators Incorporated (de naam zelf ook een treffend voorbeeld van institutionalisering), worden kunstwerken opgesomd die je allemaal zelf kan “doen”. Bekend is de berg snoepjes van Felix Gonzales-Torres die recent ook nog bij Wiels in Brussel werd uitgevoerd. Iedereen kan het werk uitvoeren, je hebt alleen een bepaalde hoeveel lokaal gefabriceerd en omwikkeld snoep nodig.

Conclusie

Het is een bijzonder interessante tijd om de kunstenaarspraktijk te bestuderen. De relationele esthetiek, het sociale- en politieke engagement, het project- en procesmatige werken dat de jaren ’90 domineerde, moet deels plaats maken voor een hernieuwde belangstelling voor autonomie, materiaal-immanent werk en een “terugkeer” naar de studio zonder dat het engagement wordt afgezworen. Deze verschuiving vindt plaats in de context van een veranderende maatschappelijke en sociale positie van kunstenaars, een nieuw politiek klimaat en een herschikking van de balans tussen overheid en markt.

Maar interessant is natuurlijk een gevaarlijke kwalificatie. We moeten er voor waken alert te blijven voor de ongelooflijk complexe positie van kunstenaars: tussen musea, galeries, bedrijven, opleidingsinstituten, residenties, overheid en markt heen laverend moeten ze in een enorme spreidstand heel veel ballen in de lucht houden. Kunstenaars moeten altijd klaar staan, altijd “ja” kunnen zeggen, projecten opvolgen, aanvragen doen, budgetten beheren, zorgen dat ze geen te grote knieval maken naar de commercie of het opdrachtcircuit en, laten we dat niet vergeten, zich steeds maar weer legitimeren voor hun onherkende arbeid.

Het draagvlak voor kunst en cultuur verkruimelt in een Europa dat naar rechts rukt en in verschillende lidstaten zien we dan ook dat kunstenaars en kunstinstellingen steeds meer in de defensieve hoek gedrukt worden. De druk om uit te leggen, nuttig te zijn, te legitimeren in economische termen, bij te dragen aan een Post-Fordistische economie wordt alom gevoeld. Beleid (van overheden, ondersteunende en producerende instellingen) zou er op gericht moeten zijn om te hoeden voor het instrumentaliseren van de kunst en kunstenaars, men moet open staan voor en (h)erkennen dat er een ongelooflijke diversiteit aan kunstenaarspraktijken bestaat, die praktijken ondersteunen en actief bijdragen aan de maatschappelijke en sociale status van kunstenaars. Het gevaar bestaat dat kunstenaars opgeslokt worden door andere domeinen en daardoor hun autonome status verliezen en de kunst volledig verdwijnt.

Het problematiseren van de nuttigheidsdrang betekent niet dat kunst niets bij te dragen heeft. Ook vanuit een radicaal autonome positie kan dat, ook wanneer kunst niet geïnstrumentaliseerd wordt. ‘De autonome actie van een kunstenaar tekent de wereld zoals we haar nog niet kennen’ schrijft Boomgaard (p. 6 van de online versie). Kunst kantelt onze blik, toont nieuwe perspectieven, opent debatten, stelt nieuwe en wezenlijke vragen en draagt daarmee fundamenteel bij aan hoe we ons als beschavingen ontwikkelen. Anna Tilroe stelt dat precies om die intrinsieke kwaliteit van kunst, het van groot belang is te zorgen dat de ‘zwaarwegende vragen die de kunst stelt ook en vooral op opiniepagina’s en publieke fora’ terug te vinden zijn en niet alleen in kunstbladen (2010, p. 27). Autonomie zonder isolement, maatschappelijk, politiek en economisch engagement zonder instrumentalisatie, lef zonder ingelijfdheid. Nog zo’n uiterst complexe opdracht voor de kunst en kunstenaars. Een opdracht waar goed beleid dat rekening houdt met de complexe realiteit waarin kunstenaars werken en dat hen (en de instellingen waar ze mee werken!) niet dwingt zich te verantwoorden volgens de neo-liberale logica van economisch gewin, toeristische attracties en steeds maar stijgende bezoekersaantallen, aan kan bijdragen.

Bibliografie:

– Jeroen Boomgaard, Radicale autonomie. Kunst ten tijde van procesmanagement, Open, 2006.
– Daniel Buren, The Function of the Studio, October, 1971.
– Wouter Davidts & Kim Paice (eds.), The Fall of the Studio – Artists at Work, Valiz 2009.
– Bavo, Too Active To Act, Valiz, Amsterdam, 2010.
– Brian O’Doherty, Studio and Cube: On The Relationship Between Where Art is Made and Where Art is Displayed, Princeton Architectural Press, 2008.
– Pascal Gielen, The Murmuring of the Artistic Multitude, Valiz, 2009.
– Pascal Gielen en Paul de Bruynem, Being an Artist in Post-Fordist Time, NAi Publisher, 2009.
– Independent Curators Incorporated, do it, 1997.
– Joris Janssens, Mobility Matters onderzoeksrapport, 2008. Online: http://www.mobility-matters.eu/web/files/37/en/Belgium.pdf
– David Joselit, Painting Beside Itself, October Magazine, 2009.
– Rosalind Krauss, A Voyage on the North Sea. Art in the Age of the Post-Medium Condition, London: Thames Hudson, 1999.
– NICC, Onderzoeksrapport naar de rechtstreekse subsidiëring, werkomstandigheden van professionele beeldende kunstenaars, 2008. Online: http://nicc.be/File/Onderzoeksrapport.pdf
– NICC, 8 voorstellen voor betere werkomstandigheden en een autonome kunstenaarspraktijk, 2009. Online: http://nicc.be/41/Downloads
– Anna Tilroe, Wie trekt er aan de bel, Metropolis M, 2010.
– Richard Polacek, Artists Moving & Learning onderzoeksrapport, 2010. Online: http://www.encatc.org/moving-and-learning/files/Belgium%20National%20Report.pdf
– Irit Rogoff, Turning, e-flux journal, 2008.
– Merel Van Tilburg, De doorstart van het atelier, De Witte Raaf, 2010.
– Jan Verwoert, Why Are Conceptual Artists Painting Again? Because They Think It’s a Good Idea, Afterall, 2005.
– Jan Verwoert, Exhaustion and Exuberance. Ways to Defy the Pressure to Perform, Art Sheffield Catalogue, 2008.
– Camiel van Winkel en Pascal Gielen, The Hybridization of Artistic Practice, ongepubliceerd onderzoeksvoorstel, 2010.

 

Het essay “Veranderende kunstenaarspraktijk” werd in opdracht van BAM, het Vlaams steunpunt voor professionele hedendaagse beeldende, audiovisuele en mediakunst, geschreven en gepubliceerd in het BAM cahier Frisse lucht, lange adem (http://www.ibknet.be/files/frisseluchtlangeadem_print.pdf). Met dank aan Dirk De Wit.

  1. De Europese commissie heeft een aantal vergelijkende onderzoeken gedaan in verschillende Europese landen naar mobiliteit in de culturele sector. Voor de Belgische deelrapporten zie het Mobility Matters rapport van Joris Janssens uit 2008 en Artists Moving & Learning van Richard Polacek uit 2010. Die rapporten sommen vooral de situatie op (hoeveel residenties, hoeveel geld) maar trekken daar geen noemenswaardige conclusies uit over de manier waarop kunstenaars werken, de effecten ervan op hun leven en praktijk of de aansluiting van de toenemende mobiliteit op fenomenen als globalisering en internationalisering in de kunstwereld.