Zelfplagiaat

August 7th, 2014 – , , .
Published in Metropolis M, No. 3, 2014.

In het boek Toward a Lexicon of Usership (2013) dat Stephen Wright schreef in opdracht van het Van Abbemuseum, worden nieuwe vormen van ‘gebruikerschap’ die op gespannen voet staan met hedendaagse kunst, expertcultuur en traditioneel kijkerschap ontleedt –– denk aan bijeenrapen, hacking, luiheid, stropen of meeliften.

Dit soort vormen van gebruikerschap zorgt voor statusverwarring (waar komt een beeld vandaan?; van wie is dat citaat?; wat heb ik eigenlijk gekocht?). Sommige mensen voelen zich hier heel comfortabel bij, anderen juist helemaal niet. We leven in een tijd van online-aangestookte statusverwarring: beelden, teksten en andere informatie zwerven online losgezongen van hun bron rond en kunnen eindeloos worden hergebruikt, watermerk of copyright info ten spijt.

Dat er een spanning is tussen nieuwe en oude (Wright spreekt dan van auteurschap, autonomie, eigendom, expertise) vormen van gebruikerschap bewijzen de vele al dan niet kunstgerelateerde plagiaatrellen van de laatste tijd. We zoeken steeds weer naar nieuwe omgangsregels voor het gebruik en hergebruik van elkaars data. Wie welke data aan wie doorgeeft of doorverkoopt, al dan niet zonder toestemming van dataproducent, en met welke doelstellingen is moerlijk te achterhalen in een globaal uitdijende brij aan informatie. Niemand weet meer wie jouw gegevens (persoonlijk, medisch, zoekacties, koopgedrag, etc.) stroopt of wie er meelift op jouw data. Neem het zekere voor het onzekere: het ligt allemaal voor het oprapen; het is waarschijnlijk al opgeraapt.

Maar er zijn nog complexere nieuwe vormen van gebruikerschap die de laatste tijd volop aandacht krijgen: zelfplagiaat, zelfvervalsing of zelfcensuur. Hack je eigen oeuvre, wees lui met je eigen ideeën, stroop je eigen data, raap je informatie bij elkaar en lift mee op zelfgecreëerde verhalen. Je kan je carrière op weg helpen of frustreren door net iets te opvallend te kopiëren (overigens niet te verwarren met remixen of citeren, iets wat doorgaans zeer wordt gewaardeerd en in de kunst toe-eigening of appropriatie wordt genoemd) maar je kan dat ook doen door jezelf te imiteren, je eigen werk te vervalsen of jezelf te censureren.

De discussie over zelfplagiaat laaide onlangs op bij de zaak rond econoom Peter Nijkamp. Door een academisch beloningssysteem waarbij publicaties tot punten leiden en punten tot onderzoekstijd, is de druk om te publiceren onder universitaire wetenschappers bijzonder hoog. Nijkamp had een eye-popping, niet aflatende stroom van publicaties op zijn naam staan. Wat bleek, hij citeerde zichzelf zonder aanhalingstekens en bronvermelding en wist zo een goed idee eindeloos opnieuw in te zetten. Dat is niet volgens de wetenschappelijke etiquette die dicteert dat alleen origineel onderzoek en nieuwe theses beloond worden, en niet het zonder aanhalingstekens eindeloos hernemen van een bestaand idee. Hergebruik van eigen werk mag, maar dan alleen als citaat met bronvermelding en datering.

Het laatste woord is in deze zaak nog niet gezegd. Wetenschappers vechten hard terug omdat het label zelfplagiaat te veel naar fraude riekt en het herhalen van eerdere bevindingen in de wetenschap soms noodzakelijk is. Het is maar hoe je het brengt. Wordt hier bijeengeraapt (legaal: het bijeenrapen van overgebleven oogst aan de randen van velden) of gestroopt (illegaal: het schieten en stelen van voedsel)?

In de beeldende kunst zijn de meeste critici en curatoren nogal welwillend als het aankomt op kunstenaars die hetzelfde idee eindeloos herhalen. Het woord zelfplagiaat valt amper, meestal wordt gezegd dat een kunstenaar er goed aan zou doen te zoeken naar een nieuwe focus, een nieuwe weg. Net als in de wetenschap waarderen we originaliteit en vooruitgang in een kunstenaarsoeuvre, niet de valse vooruitgang waar schrijver Frank van Kolfschooten het over heeft in zijn boek over plagiaat (1993). Soms noemen we deze kunstenaars opportunistisch, als het er heel dik bovenop ligt, zoals in het geval van Damien Hirst met zijn eindeloos herhaalde maar steeds net een stipje andere spot paintings (de teller staat op 1365). Eigenlijk is dit een equivalent van de salami-wetenschap die Kolfschooten beschrijft: uitsmeren van een idee over een zo groot mogelijk oppervlak (artikelen, publicaties, doeken). In de muziek, mode, literatuur, spreken we in relatie tot zelfplagiaat vaak van een one-trick pony, iemand die maar één kunstje goed kan en dat dan ook eindeloos herhaalt. Afhankelijk van je vakgebied wordt zelfplagiaat strafbaar, saai of zielig bevonden.

Zelfvervalsing, net iets anders dan zelfplagiaat, komt in de kunstgeschiedenis bij niet de minste kunstenaars voor. Bij de recente tentoonstelling van Kazimir Malevich in het Stedelijk Museum Amsterdam, zagen we daar een zeer goed voorbeeld van. Malevich besloot op een aantal cruciale momenten in zijn carrière om zijn schilderijen te antedateren (van een vroegere datum te voorzien). Hij reproduceerde zijn schilderijen uit de late jaren twintig, smokkelde met de datering en kon zo zijn eigen oeuvre achteraf beter inschrijven in de kunstgeschiedenis en in de pas later door kunstcritici geformuleerde stromingen.

Ook de Belgische surrealist René Magritte was een notoir vervalser (zowel van eigen werk als dat van Picasso en Renoir). Zijn zelfvervalsingen waren niet zozeer gedreven door een kunsthistorische wens steeds aan de vooravond van een nieuwe stroming te staan, zoals bij Malevich, maar waren een bewuste manier om zijn eigen oeuvre te saboteren. Hij wilde westerse bourgeois gedachtegewoontes verstoren en zich tegen die ideologie verzetten: auteurschap en het aura van het kunstwerk waren hem weinig waard. Hij voerde zijn ceci n’est pas-methode ver door. Magritte schilderde bijvoorbeeld The Flavour of Tears uit 1948 twee keer. Dat werd pas veel later ontdekt toen de twee werken elkaar tegenkwamen in een ondertussen geglobaliseerde kunsthandel.

Een recenter voorbeeld van een overigens veelgebruikte vorm van zelfvervalsing, vinden we bij de kunstenaar Theaster Gates. Slecht verkopend of weinig aandacht genererend werk kan een nieuw elan krijgen wanneer het via een andere naam en met een sappiger verhaal heruitgebracht wordt. Je vervalst niet zozeer het werk zelf, maar speelt met de maker, de auteur, het aura. Je introduceert hierdoor als het ware een buikspreker, zoals kunsttheoreticus David Goldblatt zou zeggen (Art and Ventriloquism, 2006, Routledge). Gates, die zich met zijn 12 Ballads for Huguenot House tijdens de dOCUMENTA(13) stevig in de kunstwereld vestigde, begon als ceramist maar wist daar pas echt succesvol mee te worden na de introductie van de fictieve en mysterieuze figuur van de Japanse ceramist Mr. Yamaguchi. Zelfvervalsing in de gestalte van slimme rebranding.

Zelfcensuur is eigenlijk iets heel anders. We associëren het voornamelijk met onderdrukkende regimes. Recent onderzoek wees echter uit dat zelfcensuur ook Amerikaanse schrijvers niet vreemd is. Sinds niemand meer zeker weet wie er wanneer meeleest, meekijkt en meeluistert, kan je er maar beter van uitgaan dat je wordt afgeluisterd. Amerikaanse schrijvers gaven in een enquête van de International PEN (literaire- en mensenrechtenorganisatie) aan dat ze bepaalde dingen niet meer op internet opzoeken noch door de telefoon bespreken, onderwerpen niet meer onderzoeken en projecten op de plank leggen voor betere tijden. Het is een stille, sluipende vorm van je eigen werk saboteren, een niet-productieve, niet-creatieve vorm van nieuw gebruikerschap dat weinig te maken heeft met bijeenrapen of stropen, maar des te meer met roofbouw.

Van Magritte tot de zelfcensuur die PEN in kaart bracht, nieuw gebruikerschap kan zowel constructief als deconstructief uitpakken. De kracht zit in die momenten waarbij dit soort nieuwe vormen van gebruikerschap een katalysator zijn in plaats van een obstakel. De zelfsabotage, buiksprekerkunst, salamikunst of opgepiepte kunst, het is geen maker vreemd. En dat is misschien eigenlijk ook helemaal geen probleem. Het levert vaak de mooiste verhalen en nieuwe woorden op.